zondag 30 januari 2011

Vooruit!

Het zou een zware tocht worden vandaag. De trein naar Amersfoort spoort door het Naardermeer. Het is één van die plekken waar ik vrijwel altijd naar buiten kijk. Op de fiets kom ik er regelmatig langs. Er doorheen dat is het voorrecht van de trein en wandelaar. Er ligt ijs op de plassen vandaag.


Op de fietsrouteplanner heb ik een route uitgezet*: van Zwolle naar Amsterdam. Anders dan anders. Deze keer niet aan de IJsselmeerzijde van de A28, maar tussen die weg en de A50 in naar het zuiden.

Mijn tocht gaat vrijwel helemaal door de bossen en ik merk er niet veel van de kou. De bomen vangen de wind en door het trappen word ik warm. Mijn achterwiel is aan vervanging toe en daardoor voelt het wel alsof ik de hele tijd bergop ga.

Als ik in Zwolle het station uit kom moet ik naar knooppunt 17 en wordt de stad uit gevoerd. Het is niet de kortste weg naar de brug over de IJssel, maar de korte route is niet altijd de beste. Nu ga ik fijn een stuk langs de IJssel.

Ik zie een postbode op zijn fiets over een dijkje in de volgelopen uiterwaarden naar een boerderij fietsen. ’t Ziet er rustig uit. Op Google maps is wat nu water is, geheel groen van het gras. De boerderij ligt droog. Het pontje richting Hattem vaart niet in deze tijd van het jaar. Ik kom toch in het plaatsje via de IJsselbrug.


Grotere kaart weergeven

Daar begint een tocht langs een heideveld, waar ik weinig van zie, en ook langs provinciale wegen. Af en toe wordt de route van de autoweg afgevoerd en kom ik er na een bocht toch weer op terecht. Als ik dan de weg weer zie voel ik me genept. Fietsen met een grote weg als leidraad, iets in mij verzet zich daar tegen. Het stuk tussen knooppunten 87 en 96 maakt alles toch goed.

Op de Veluwe besluit ik niet via Harderwijk naar Amsterdam te gaan, zoals ik van plan was, maar onder Ermelo en Putten door richting Amersfoort om daar de trein te nemen. De tocht gaat over het Hulshorsterzand en hoewel ik verder wil maak ik toch snel een foto van een eenzaam boompje. Vooruit, maar wel over je schouder en om je heen kijken. Verder komen, maar ook stomweg genieten.

Het fietsen schiet niet op. Mijn achterwiel ratelt. De ketting beter spannen heeft niet geholpen. Zwoegen is het. De stukken door de stille bossen zijn bijzonder. Als de zon onder is raak mijn oriëntatiegevoel kwijt. Ik trap door en door. In het donker kom ik twee keer langs Garderen. Het huisje in Het Speuld waar ik ooit een korte vakantie vierde met mijn partner staat er nog met een bordje ervoor. Het is nog steeds te huur. Een afslag naar Apeldoorn - waarheen ik besluit te rijden - mis ik. Uiteindelijk wordt het de trein in Putten waarmee ik weer naar huis rijd.

Zandkastelen

Dit is mijn eerste fietsblog hier. Ik schreef er al veel en zal er zeker een aantal overzetten naar Zandkastelen.

* Knooppunten: 17 – 16 – 77 – 59 – 58 – 60 – 56 – 54 – 54 – 84 – 89 – 88 – 87 (mooi stuk) – 96 – 30 – 19 – 18 – 29 – 13 – 83 – 82 (daar ging ik anders) – 81 – 80 – 97 – 1

Verwennerij: Amsterdam - Leeuwarden


Op de Afsluitdijk dacht ik: “Waarom doe ik dit eigenlijk, dat fietsen?” Naast me razen de auto’s en vrachtwagens voorbij; het is een tering herrie. Slechts drie maal zie je tijdens de 32 km de zee. Er liggen meer vogels langs de kant van de weg dan er vliegen.

De Afsluitdijk nog maar net verlaten, ga ik door een klaphekje (zo'n hekje dat schuin naar boven opengaat en als je het loslaat met een klap dichtvalt). Ik fiets de dijk over naar de kant van de Waddenzee. Daar blijf ik fietsen tot in Harlingen. Het is geen echt fietspad en soms loopt het zo schuin als een wielerbaan. Ik ben geen held vandaag en vind het soms eng.

Het water staat laag. De zon laat zijn waterige licht net door de wolken dringen; lichtspiegelingen komen van het natte zand en water.Ik zie strandlopers en andere waadvogels die ik niet herken. Een lepelaar loopt in een slenk met zijn kop heen en weer te zwaaien, snavel in het water.

Het is wonderschoon en rustig, zo bijna mystiek rustig. De auto’s van de Afsluitdijk verbleken. Andere momenten van de dag komen weer naar boven: de smienten in het Twiske en de kluten bij Hoorn; de traditionele kleuren van de huizen in de buurt van Opperdoes en Twisk; de kracht van het water dat de Lorenz sluizen verlaat; en de zon die net een beetje schijnt en mijn neus rood kleurt.



Enigszins verontwaardigd ben ik dat ik het mooiste van Nederland nodig heb om dit te beseffen. Ik fiets weer verder en kijk rond in Franeker, een mooi en zelfvoldaan stadje. Zie tussen daar en Leeuwarden de eerste lammeren lurken aan hun nog net niet versgeschoren moeders. De zon gaat onder voordat ik in Leewarden ben. Ik hoor de vogels in het donker roepen en fluiten.

De treinreis naar huis valt licht.

19 maart 2010

Verliefd en in de 70


Voor ’t eerst sinds lange tijd weer een echte fietstocht gemaakt met de zon het grootste deel ervan op mijn bol. Net op weg was de vreugde over het fietsen al aan het tollen door mijn hoofd. Bij Egmond aan de Hoef zaten twee korte gedichtjes in mijn hoofd om die gedachten vast te grijpen. Ook maakte ik zoveel foto’s dat al bij de boet in de duinen van Castricum de accu van mijn telefoon leeg was en een foto van het duinmeer, dat daar in de zon lag, niet meer wilde.

Het bruiste. De energie barstte uit mijn lijf. Manisch. Dat woord schoot opeens door me heen. Misschien niet echt, maar wel een lichte vorm? Of niet? Na maanden van somberheid, leek alles weer los te komen: gedachten en de wil om iets te doen en te genieten. Extatisch dat is het woord. Het tintelde door mijn hoofd. Het voelde als koorts in mijn lijf. Het overviel me. Het was niet naar of beangstigend, maar het was wel veel. Is er geen manier om het te bewaren en op te halen als het nodig is.

In Callantsoog, bijna in Den Helder, nam ik in een strandpaviljoen een tosti en een Texels winterbier (aanrader). Een ouder echtpaar nodigde me bij hen aan tafel. Een tafel aan 't raam, zodat de bulderende zee dichterbij was en mooier om naar te kijken. Ze waren verliefd en tegen de zeventig. Dat laatste schatte ik. “In de zeventig,” zeiden ze, toen ik er naar vroeg.

De man had op het eerste gezicht een groot en stevig lijf, als van een bootsman. Hij was afgeleefd op de binnenvaart, als vrachtwagenchauffeur en als jongen van zestien à zeventien door het schoonmaken van scheepsruimen. Dat laatste zorgde ervoor dat hij nu bijna geen adem kon halen, volgens zijn vrouw. De laatste specialiste die hij bezocht zei: "Zegt u maar wat er nog wel werkt." Hij slikte morfine tabletten en grote hoeveelheden Ibobrufen tot hij een zombie werd. Dat paste hem niet. Blijven lachen was zijn devies. “Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd.” Hij kende zijn tegeltjeswijsheid.

Het werd een bijzonder gesprek over vrijheid en onvrijheid in het geloof, de reactie van de omgeving als je het niet precies zo doet als het hoort, volwassenen doop, belijdenis, gescheiden financiën in een nieuwe relatie en leven met lichamelijke narigheid en net niet teveel de Heer. Ik maakte duidelijk dat de heer voor mij niet telde, maar boezemde blijkbaar voldoende vertrouwen in om toch tegen me te praten over geluk en moeilijke keuzes in het leven. Ook op kerkelijk terrein. Ze woonden nu gehuwd samen in Putte, waar de vrouw als weduwe al woonde, voordat ze hem ontmoette.

“Mooi daar,” zei ik.
“Erg veel bomen,” vond hij.

“Put de mooie dingen uit het verleden,” zei de man. Hij haalde een tocht op die hij vroeger wel eens maakte, van Rotterdam (waar hij toen nog woonde) naar Scheveningen. Daar nam hij dan een broodje zalm om vervolgens via het Westland naar Hoek van Holland te gaan voor een patatje bij een goed adresje. Gegeten en genoten als hij thuiskwam.

Hij lachte de ziekte uit die hem uit zijn slaap hield en spotte ermee. Om het vol te houden is er humor, indien nodig van de galg, genieten van wat je nog kan en hebt, zelfspot, omkijken naar de mooie dingen en relativeringsvermogen. Dat maakt dat je geen sombermans wordt. Dat relativeren voegde ik toe, maar pas tijdens het schrijven snap ik dat dit woord niet overkwam in het gesprek.

De vrouw deed zichzelf tekort door haar geluk van God gegeven te zien. Ze had er zelf aan gewerkt en er voor gekozen. Ik zag lichtjes in haar ogen.

Het was een mooie dag.

27 februari 2010

zaterdag 29 januari 2011

Rondje IJsselmeer


Op 30 juni fietste ik langs de Oostvaarderplassen. Voor het eerst dit jaar zag ik lepelaars foerageren. “Laat ik dit niet vergeten,” dacht ik, "dan kan ik het verwerken in mijn blog over de fietsdag van vandaag.” Ik knipte een foto met mijn mobiel ter herinnering.

Later, toen ik in mijn hoofd al een stukje geschreven had, vroeg ik me pas af waarom zou ik van deze tocht een verhaaltje maken. In Gaasterland werden mijn gedachten te persoonlijke om hier te delen. Maar ook die werkte ik in mijn hoofd om tot tekst. "Nee," hoorde ik me toen denken.

Daarna bedacht ik me dat ik niet alles kwijt wil en het niet interessant is voor anderen vluchtige gedachten en observaties te lezen. Ook niet om te weten dat:
• je prettig tussen twee 17e eeuwse schepen door kan fietsen bij Lelystad.
• Dat je na de Flevocentrale in de verte vaag het eiland Urk kan zien oprijzen uit het omringende land, waardoor het nog steeds een eiland lijkt.
• Dat ik in Urk kabeljouw at met uitzicht op de spreuk: Zoekt de Heere en leef!
• Of dat Lemmer zo fantastisch ligt in een hoekje van het IJsselmeer; tussen Friesland en Noordoostpolder. Met scheepswerf Bijlsma in het uiterste puntje. Bovendien een mooi strand heeft.
• Dat licht en gras zo mooi samen kunnen spelen.
• Dat je de stuwwallen van Friesland kan zien vanaf het fietspad (waaraan nu al maanden wordt gewerkt) tussen Lemmer en Urk.
• Dat in Friesland zelf zwerfkeien, ranke elegante kerkjes, mooie boerderijen en meren vol zeilschepen strijden om de aandacht.

De tekst was leuk, toeristisch verantwoord, maar komt hij niet op het blog. Er zat geen diepgang meer in nadat ik alle persoonlijke zaken eruit gefilterd had.

Toch had het virtuele schrijven wel zin. Je ziet meer dan je kan bekijken tijdens zo’n lange fietstocht. Door in mijn hoofd te schrijven lette ik beter op, was het niet alleen stompen op de trappers van de vroege ochtend tot de late avond. Kennelijk is door het vele bloggen dit de vorm die ik geef aan het organiseren van mijn gedachten. Maar dat je meer ziet dan waar je nauwkeurig aandacht aan kan geven is een alledaags euvel, waar elk leven mee kampt en daarom een trivialiteit.

2 juli 2009

Verderop is altijd een brug


Ja, ik wist het wel: de Jan Hop zou begin september stoppen met het overzetten van passagiers. Daar ligt hij aan de overkant. Op het bankje ernaast zitten twee fietsers, vermoedelijk ook gestuit door het kanaal. Het is te ver om een praatje te maken.

Uit het café, met de mooie gevelsteen, komt een meisje: “Dag mijnheer,” zegt ze vrolijk.

“Goedemorgen,” probeer ik even zonnig terug te zeggen. “Hoe kom ik van hier het makkelijkst in Schermerhorn?,” maak ik gelijk van de gelegenheid gebruik.

“Verderop is een brug,” is het even vriendelijke antwoord dat ze al honderd keer heeft gegeven aan andere fietsers. Dat realiseer ik me pas veel later.

Verderop is altijd een brug. Deze ligt 4 km noord-west. Ik moet noord-oost. Het pontje is veel mooier en ik vind het prettig om langs de prachtige ‘stadjes’ Graft en De Rijp te fietsen. Het is niet anders. Ik trap en zie nu nog wel het Alkmaardermeer: een grillig groot water. Het is moeilijk een plek in Noord-Holland te vinden die beter laat zien hoe de provincie er 400 jaar geleden uitzag.

De dienstregeling van de Jan Hop in Spijkerboor laat me weer botsen tegen het einde van de zomer. En weer verbaas ik me. De grijze horden op de fiets trekken zich niets aan van schoolvakanties, doordeweekse dagen en seizoenen; ze fietsen als het mooi weer is. Het hele jaar lang. Dat is plezierig en goed voor hun conditie en de diabetici en hartpatiënten onder hen komen zo aan hun lichaamsbeweging.

Een pont is niet alleen een halve barrière, die de snelheid uit je tocht haalt, maar ook een belevenis die het fietsen sjeu geeft. Geef toch een beetje subsidie, zodat de ponten kunnen blijven varen en Nederland gezond op de fiets, denk ik onderweg naar de brug over de N246.

Uit de wereld fietsen

De zon schijnt buiten. Ik ben al vijf weken ziek thuis en ontbeer de energie om veel te doen. Ik lees geen krant en kijk geen nieuws. Wel doe ik ook aan sport. Dit om mijn lichaam sterker te maken. Naast zwemmen is dat al een half jaar lang steeds meer fietsen. Men zegt dat dit goed is voor mijn lijf en goed is voor mijn geest.

Er zitten zeker mooie kanten aan. Inmiddels weet ik dat op twee uur fietsen afstand van mijn huis meestal lepelaars foerageren langs de dijk tussen de Oostvaardersplassen en Markermeer. Ik zag een buizerd zijn prooi verscheuren, en een reiger een kikker inslikken. Ik herken inmiddels de vlucht van een specht, na die een aantal malen te hebben zien landen tegen een boom. Mooi stadjes scheur ik door. Ga langs prachtige gemalen. Binnen twee uur rijd je vanuit Amsterdam door heidegebieden, duinen, bossen, weideland, stadrecreatiegebieden, en plassen. Als je een beetje getraind bent en de tijd neemt, dan is vrijwel het hele land via de mooie Lange Fietsroutes bereikbaar.

Mij valt tijdens de tochten op dat de mensen die ik tegenkom minimaal een nieuwe Gazelle of-zoiets-fiets met versnellingen hebben en veelal zijn gekleed in strakke zwarte broek of speciale sportieve fietskledij. Zelf fiets ik op een oude Fongers uit 1948 die er niet uitziet, maar doet wat hij moet doen; mij verplaatsen als ik me inspan. Regelmatig hoor ik: “Wanneer stap je over op een racefiets met versnellingen?” Maar waarom zou ik iets dat werkt vervangen. Een mountainbike voor paadjes in de bossen, een racefiets als je ver en hard wilt en een stadsfiets die gejat kan worden en waarvoor je dan een nieuwe koopt. Zo hoort het toch. Het is meer dan fietsen, het is ook een lifestyle. (Die aftandse Fongers van mij overigens ook.)

Mooi en goed, maar terwijl ik me vermaak door te kijken naar grondeltjes op de boden van een beek die ik oversteek, draait de wereld gewoon door. Ik heb nauwelijks een idee wat er gebeurd in Zimbabwe of Iran. Mijn kwaadheid beperkt zich tot wegwerkzaamheden waardoor de fietsroute wordt belemmerd. Mijn nieuwsgierigheid gaat uit naar de piepers in het riet. Gewoonlijk heb ik drie of meer onderwerpen in mijn hoofd als ik een column moet schrijven en dan kies ik er één of maak een combinatie. Nu helemaal niets. De gedachten zijn eruit getrapt. Niets dat me van het hart moet, waar ik iets mee wil. De wereld lijkt ver weg.

Inmiddels kan ik me heel goed voorstellen dat je 32 uur of minder werkt, het huishouden runt of laat runnen en verder lekker op de fiets stapt en ’s avonds naar de film, of met vrienden naar een terras gaat. Je kan daar je leven van maken. Je realiseren dat Nederland in oorlog is en dat het opzetten van een tegenbeweging een lange adem en veel lef vereist of dat voor het helpen van de bevolking in Birma geen gemakkelijke oplossingen zijn, maar dat je structureel en met een lange termijn visie die ook rekening houdt met de bredere context iets moet doen, passen daar niet in. Laat dus maar.

Deze week kwam met donderend geraas en gedreun een F-16 over terwijl ik in Amerongen op een terras een kop soep met balletjes nam. Ze oefenen niet meer in het afwerpen van clusterbommen. Dat niet, dat mag niet meer, maar wel in het 500 pond staal en explosieven op een quala werpen, waar de opposing militant forces zich zogezegd achter de bevolking verbergen. Daar denk ik dan heel even aan tussen mijn medefietsers op het terras onder de kastanjeboom. Dan steekt hij toch de kop weer op, de vraag ‘wie heeft het lef duidelijk, eigenwijs en toch ook resultaat gericht wel moeilijk te doen, wel te organiseren’, want daar kan je ook je leven en lifestyle van maken.

Ik blijf toch nog even fietsen.

3 juli 2008

vrijdag 28 januari 2011

bij een crematie

verdriet op de voorste rijen
Tempo-zakdoekjes deppen
tranen, ook in mijn ogen
ze prikken en zoeken zich een weg

de man die stierf hem kende ik
nauwelijks beter dan de velen
die dagelijks sterven

Waarom dan die waterlanders?

is verdriet besmettelijk
komt het door het plotselinge van de dood
een ongeluk, in coma, stekker eruit, punt

zijn het de doden van eerder waaraan ik denk
verbeeld ik me dat ik zelf stierf
of een goed contact

De druppels biggelen en een brok sluit mijn keel.

een dag later zit ik in de zon
kijk naar de zee
mensen die surfen, spelen en zwemmen
het verdriet voorbij

zo jong nog
Hij laat veel toekomst achter.


Zandkastelen

(tekst en beeld)

donderdag 27 januari 2011

Gedichtendag 2011 bijdrage



Verlichte weg

De maan trekt een streep. Ze ligt als een weg over de zee.
Met mijn voeten in het natte zand sta ik. En kijk.
De weg eindigt bij een vage scheiding; de rand van de wereld.

Volg daar de kromming. Ga de tocht mee met het water.
Raak buiten zicht. De weg gaat verder: tot aan land. Of
vervolg daar bij de einder de route vanuit een rechte koers.
Raak los. Zonder houvast. Niet wetende waar en of je landt.

Wandelen over water is ongemakkelijk,
maar vliegend door de ruimte gaan is koud en kil;
los van alles en iedereen.

Mijn hielen graven zich in het verlichte zand.
Mijn geest bedenkt de mogelijkheden die onmogelijk zijn.

Dan draai ik me om en geef me over aan de nacht.
Het golvende zilveren pad wacht.

martin broek