donderdag 24 februari 2011

Op verzoek van mijn moeder






Veerkracht

Het gras wijst naar de lucht; rechtop blad bij blad.
In de ochtend lagen die bladeren nog plat
na de nacht waarin ze als slaapplaats dienden
voor koeien, kalveren, pinken en een stier.

Veerkracht is door de natuur gegeven;
door de evolutie bedacht.
Wat verloren lijkt, bloeit op.
Wat verdort schijnt, schiet wortel.

Zie je daar in een reageerbuis die twintig bonen bij elkaar?
Er is geen ruimte om te groeien, te kiemen en ontluiken.
Toch. De boon is sterker dan zijn gevang. Water en hij welt.
Hij maakt scheuten. En scherven van het glas.

Veerkracht is door de natuur gegeven;
in eiwitten opgeslagen.
Wat beknelt is, zoekt een weg naar buiten.
Wat het niet meer weet, wacht.

Als de regen plenst komt de longvis boven.
Als een plastic zak lag hij begraven
ingesponnen in een cocon van opgedroogd slijm.
wachtend op het water.

Veerkracht is door de natuur gegeven;
uit de wil tot verder leven.

Gedichtendag 2010 bijdraqge

Stalen vormen

“Kinderen aan de kant.”

Samen zijn we een duizendpoot.
De overzijde bedoeld voor hen,
met een eigen doel.
“Niets mee te maken, voort!”
Leer voortgaan, doorgaan
naar een bestemming, naar een doel.

Rust, pffoeh, kalmte,
kan niet meer.
Lig.
Zie een brug.

Andere doelen,
anders vormen.
Het is daar mooi.
Toch niet genoeg.

Wens naast de nieuwe wereld
de dicipline van de oude.
Een plank van ‘t ene naar ‘t andere;
ze verschuilt zich in deze zinnen.

Zandkastelen

Beweging

Met kracht klinkt de klap
van zolen,
die met vaste tred,
de klinkers raken.
Zon in de rug
naar een nieuwe dag
over nog natte sporen,
van de nacht.

Verderop zie ik anderen nog net gaan
Ze stappen, rijden, duwen.
Zon in de ogen.
Richting land dat vaag zichtbaar is.

Onzichtbaar zijn de mensen
die blijven waar ze zijn;
de fiets geparkeerd,
tegen gevel of paal,
tevredenheid is hun doel.

Ze zien vanuit hun stoel
duizend gezichten van de dag.
De zon, hij staat hoog,
of laag zoals vandaag.
Altijd anders,
altijd anders,
altijd.

Zandkastelen

Rozenbottel

getekend


Giftige slang

Delen

Amsterdam


woensdag 23 februari 2011

Waarom huil ik?

Opeens stond ik bijna te huilen midden op straat. Ik was schoenen gaan kopen. De winkel waar ik het vorige prettige paar kocht, had niets in mijn maat. Bij de volgende vond ik wel wat. Half hoog, goede breedte en mijn steunzolen pasten ook. Het was een winkel teveel. Ik kwam buiten en voelde mijn voeten, mijn benen, mijn handen, grote vermoeidheid en de tranen welden op.

Oppervlakkig gezien weet ik wel waarom. “Is dit mijn leven? Het leven van een man van 47 die niet eens een boodschap extra kan doen? Moet ik zo nog dertig jaar voort?” Het was me even teveel en die tranen maakte dat duidelijk en zichtbaar. O ja en ik had in de ochtend drie uur gewerkt. Dat wil zeggen achter mijn beeldscherm de minder leuke toepassingen van chemische verbindingen zitten zoeken. Lekker veel, dat en een paar boodschappen. Nee dus. Maar wel teveel.

Misschien is huilen juist wel een alarmering dat het teveel is. Eigenlijk huilde ik zelden. Ik huilde om de dood van van mijn oom en draaide als troost alle zes kanten van Decade, een driedubbelalbum van Neil Young. Ik was zestien. Ik huilde bijna toen ik bij Rosyth eenzaam lopend de Firth of the Forth overstak. Mijn leven moest anders en mij toekomst lag op land, in Amsterdam, en niet op een oorlogsschip. Ik voelde me rot en was 23. Tranen met tuiten toen een vrouw kwam en weer ging, zonder dat ik het snapte. Om een ander waarmee het niet lukte: “Je bent mijn beste vriend.” Om een tijdelijke scheiding.

Maar ook tranen met tuiten na het zien van een film over het verzet tegen de kolonisator in Zimbabwe. Ik huilde bij de dood van mijn poes Hollie, van mijn vader en de moeder van mijn vriendin. Als blijkt dat ik het op mijn werk toch nooit goed kan doen, komen van kwaadheid en verdriet de waterlanders. Laatst huilde ik bijna om de schoonheid van muziek en tijdens het boodschappen doen, maar daar begon ik al mee. Dit is een flinke greep uit een tas met huilmomenten.

Alles bij elkaar huilde ik sinds mijn zestiende nog geen dertig keer. Minder dan een keer per jaar. Maar al die momenten staan nog. Ze gaan nooit meer weg en ze komen steeds vaker.

In het Psychologie Magazine, dat ik erbij pak om te zien wat zij schrijven over huilen, lees ik dat je kan huilen uit spijt om wat je gedaan hebt en dat het een krachtig signaal is dat een baby nodig heeft om ouders op hun plichten te wijzen. Je kan ook huilen uit vreugde, woede, angst, teleurstelling, ontroering en ook als volwassene nog om je zin te krijgen. In het tijdschrift ook een lijstje met aanleidingen: 95% huilt om het verlies van een dierbare, 76% huilt om het verdriet van iemand anders, 64% om een zielige film, 18% om wereldproblematiek.

Misschien kan je je wel zo onmachtig gaan voelen dat er veel meer redenen zijn om te huilen. Misschien zou ik vroeger gedacht hebben pijn, rotgevoel ik zal je krijgen er tegenaan. Dat heb ik jaar na jaar gedaan, maar het lukt niet meer. De tranen komen sneller. Ook tranen in andere situaties blijkbaar. Ik ben vaak moe en sneller overmand. Tranen bij mooie muziek onderstrepen de emotionele kracht ervan, maar vroeger zou ik ze niet gehad hebben. De tranen bij onmacht doen weinig meer dan aangeven dat het ernst is. Je moet iets met dat gevoel anders gaat het je overweldigen. Tranen zijn een zichtbaar en krachtig signaal.

* Volkskrantblog 24 februari 2010. Met enige twijfel publiceer ik dit artikel hier. Het is erg persoonlijk en ik overwoog het voor mezelf te bewaren. Het opschrijven en weer overlezen heeft veel voor me betekend. Als de pijn me weer te veel wordt dan denk ik vaak aan dit artikel terug. Het heeft me iets sterker gemaakt. Misschien een reden om over vergelijkbare onderwerpen die me soms teveel worden te schrijven.

donderdag 17 februari 2011

een klein rondje


Lekker op tijd ontbeten en snel op de fiets gestapt. Een traditioneel rondje Ronde Hoep werd het woensdag. Eerst naar Ouderkerk aan de Amstel en dan langs de Bullewijk. De vorige keer fietste ik aan de verkeerde zijde en moest ik via een zelfbedieningspont naar de goede kant. Nu wel op de juiste oever zie ik dat die bij de begraafplaats wordt verhoogd. Een eindje verder staat nog steeds het bord: Ronde Hoep onder water, nooit.

Ik draai de weg langs de Waver in. Ook daar dijkverhoging. De bagger op het pad is glibberen voor mij. Drie keer op een korte tocht zie ik de klimaatverandering aan het werk. De werkzaamheden tegen het hogere water zijn een zegen voor de aannemers. Die hebben tijdens de crisis werk. Dat schijnt een paradox voor een idealist die denkt dat er aan de oorzaken gewerkt moet worden en niet aan de gevolgen. Door hard te werken aan de gevolgen neemt de oorzaak juist in kracht toe. Klimaatverandering met zijn hogere zeewaterspiegel en extreem weer en zware regenbuien is deel geworden van de planologie en economie.

Als ik voor de wind weer terug rijd, weet ik dat ik op tijd tuis al zijn om mijn zoon op te vangen als hij uit school komt. Ik zie aan de Rondehoep West dat de scheepswerf waar ik al eens over blogde helemaal weg is.

Rustig fiets ik met een lekker vaartje naar huis. Twee ooievaars staan naast elkaar langs de rand van een sloot te wachten op de eerste kikkers. Dat we de wereld naar de knoppen helpen dringt gelukkig niet echt tot me door. Langs de Amstel hangt een poster met 'Waarom?' achter het raam. Ik ben vroeg terug. Nog wat thee, kruiden, exotisch fast food en een nieuw dessertbord voor mijn jongste zoon bij een Chinees magazijn gekocht. Hij is er blij mee en ik met mijn korte voorjaarstochtje.

gemeente betaalt het onderhoud




Het lijkt stoerder dan het is. Het duurt even voordat de ketting strak staat. Hij ligt slap op de bodem van de Holendrecht. Dat betekent flink draaien, maar kracht heb je nagenoeg niet nodig om aan de overkant te komen. Het is een prachtig systeem. Er is niemand voor nodig. Je kan met een flinke ploeg fietsers over en de kosten van de Koet zijn beperkt tot het onderhoud. Het personeel dat ben je zelf. Het kan vanwege de veiligheid niet op druk bevaren kanalen en rivieren, maar op veel plaatsen zou het een uitkomst zijn.



Via de Holendrecht, Winkel en Waver reed ik weer naar de Amstel. Bij Nessersluis nam ik het volgende pontje. Dit maal wel met een veerman. “Kan het veer van deze bijdragen betaald worden?,” vroeg ik terwijl ik mijn 35 cent voor de overtocht betaalde. “Ja hoor het is genoeg voor ons loon. Er gaan dagelijks 250 auto’s mee.” Op het bord had ik kunnen zien dat die een hele euro voor het overtochtje moeten betalen. “De gemeente zorgt verder voor het onderhoud.”

Dat is twee maal goed geregeld. Het eerste systeem kan bij gratie van een rustig riviertje met weinig kwajongens en scheepvaart. Het tweede pontveer spint er garen bij dat het in een druk bevolkt gebied ligt aan de rand van een prachtig polderlandschap en over de Amstel - een populaire rivier - vaart.

Of het pontje bij café Klein Kalfje het nog deed weet ik niet. Het leek er niet op, maar ik ben gewoon doorgereden zonder te kijken en fietste langs de Amstel tot in het centrum van de stad. Een kilo jasmijn thee gehaald bij Dun Yong op de Nieuwmarkt en weer naar huis een paar pontjes verder.

Biutiful

“Papa hoe schrijf je beautiful?”
“Zoals je het zegt.”

Het woord komt groot op een tekening te staan en is de titel van een film. Die film is mooi, maar ook rauw en hard en soms opzettelijk foeilelijk. Hij is gemaakt door Alejandro González Iñárritu die al eerder liet zien dat keiharde beelden toch prachtig kunnen zijn.



De hoofdpersoon is vader van twee kinderen in Barcelona, de ex van een manisch depressieve partner, hij bemiddelt in en voor illegalen, praat met de doden en is terminaal kanker patiënt. Het lijkt wat veel. De hoofdpersoon blijft er vreemd genoeg en heel knap wel sympathiek bij overkomen. Het verhaal overschreeuwt zichzelf als ook nog vijfentwintig chinezen door zijn schuld omkomen en de oproer politie met een buitengewoon heftige actie op de Ramblas Afrikaanse handelaars in prullaria te lijf gaat. Ook zonder overdrijving is het misbruik en uitbuiting duidelijk.

De film vertelt niet alleen een verhaal. De beelden zijn meer dan plaatjes. Ze hebben hun eigen kracht. Zoals bij Amores Perros, een eerdere film van Iñárritu, is de ongelikte sfeer voelbaar. Je knalt een wereld in die onplezierig is. De regisseur zoekt naar manieren om de mogelijkheden van het medium film uit te buiten. Zijn wijze van vertellen laat bijvoorbeeld heel indringend zien wat gekheid is. Die gekheid wordt met een camera weergegeven. Stress met beelden en geluid, het bijt zich naar binnen. De sferen waren wel overtuigend.

Overtuigend waren ook de acteurs. De volwassenen, maar ook de twee kinderen. De gekheid, het geweld, de ruzies werden soms afgewisseld met liefelijkheid aan de eettafel. Niet de dode Chinezen maar het pijnlijke urineren en de ellende in huislijke kring raakten me het hardst. Wederom een pracht film.

dinsdag 8 februari 2011

Smienten in de sloot

Wat een kabaal. Vogelgepiep is het. Ik denk even aan weidevogels, maar zie niets. In een sloot zitten ze met rode koppen en wit aan de achterkant. Ze zijn slecht te zien door het tegenlicht van de zon. De zon die vandaag zo mooi scheen. Het is alsof ze met hun kabaal duidelijk willen maken: niet doorfietsen even naar ons kijken, wij zijn niet zomaar watervogels. Wij zijn smienten.



Zelf kom ik dan net van de pont bij Akersloot. Die gaat iets noordelijk van het Alkmaardermeer over het Noord-Hollands kanaal. Het is een euro naar de overkant. Ik blogde al eerder over een leuk praatje op dit pontje. Nu was mijn gesprek beperkt tot het geven van de tijd aan een vrouw die er om vroeg: “Als het te veel moeite is dan hoeft het niet hoor!” Het was 14.31.

Het was mijn derde pont. Eerst de pont naar Amsterdam-Noord. Daarna een pontje bij Ilpendam (ook al over het Noord-Hollands kanaal): 50 ct, maar wel een strenge veerman; fiets moet op de standaard of vastgehouden, niet tegen het hekje. Dat hekje gaat hij voor die luizige ½ euro niet tjetten. Dat is teveel gevraagd. Gelijk heeft hij.
Tenslotte zou ik bij Velsen weer overvaren naar mijn kant van Noord-Holland. Dat was de vierde pont op een dag.

Aanvulling 9/2/11 10:06: Er is veel veranderd in die kleine 2½ jaar. Destijds fietste ik met veel kracht alle zorgen van me af. Vaak 3 á 400 km per week. De tocht waarin ik voor het eerst die pont nam, kan ik me nog herinneren. Hij ging naar Den Helder. Onderweg reed ik een rondje over het eiland De Woude dat in de Alkmaardermeer ligt. Dat het een eiland was, hoorde ik van een boerin aan de zuidkant. De paden lagen onder de blubber die uit de sloten gebaggerd was.

Langzaamaan kom ik weer op gang. Ik fiets nog steeds, maar minder en denk en schrijf verzorgder. Tenminste dat hoop ik. De pont bij Akersloot is 150 procent duurder geworden. Nog steeds geen klagen. Een fiets, een lunchpakket, wat fruit, vogels en wat grijpstuivers voor pont - en af en toe de trein - maken een leven al dragelijk. De tocht is nog wat stuurloos, maar gaat inmiddels wel ergens naartoe.



Knooppuntenroute met start bij Amsterdam Noord: 39, 40, 41, 1 (Broek in Waterland), 57, 54, 55 (Monnickendam), 2, 22, 21 (pontje), 14, 32 (Purmerend ½€), 48, 49, 46, 43, 60, 58, 57, 56 (pontje 1€), 55, 98, 34 Heilo, 33, 32, 31 Egmond a/d Hoef (E. aan Zee geweest), 30, 29, 25, 14 (Castricum aan Zee), 34, 97, 42 (Beverwijk), 1, 2 (gratis pont naar IJmuiden), 3, 4, 5, 7, 34 (Santpoort-Noord), 38 (Spaarndam), 35, 15, 16, 91, 12, 30, 28, 26 (Halfweg). Tot hier 115 km. Vanaf knopppunt 26 Brettenroute volgen (groene cirkels met witte stip) naar Westerpark.

De route is gemakkelijk uit te breiden met een stuk door de Kennemerduinen. Of op tal van manieren in te korten. Ik vond het leuk om van Markermeer/Gouwzee naar de Noordzee te fietsen en om thuis te vertrekken en daar ook weer aan te komen.

De pont en de uitverkoop

Pontje Akersloot in 1930, van website

Dinsdag nam ik het kleine pontje bij Akersloot. Het kostte precies 45 cent.
"Een vriendenprijsje," stelde een wat oudere man, die ook met het pontje mee wilde.
"De ponten over het IJ en Noordzeekanaal zijn gratis," reageerde ik bijdehand.
"Dat hebben de Noordhollanders afgedwongen bij de aanleg van het Noordzeekanaal," reageerde mijn mede fietser beter geinformeerd dan ik. "Dat is wettelijk vastgelegd."
"Tien jaar geleden is daar door de PvdA minister Netelenbos de eerste deuk ingeslagen," ging hij voort.
"Auto's moeten sinds die tijd betalen voor de overvaart," en dat is inderdaad tegen de afspraak die Thorbecke in 1863 wettelijk vast liet leggen: "Bij de bruggen en overtogten, dienende tot herstel van openbare gemeenschap, mag geen tolgeld van voetgangers, beesten, voer- en rijtuigen worden gevorderd."
Bij de overdracht van de ponten aan Connexion moest er ook een economisch voordeel voor het bedrijf aan zitten en zo werd de 19e eeuwse afspraak voor een deel uitgewist.
"Ik heb het idee dat de PvdA een beetje terug komt van de grote uitverkoop." Zeg ik optimistisch. "Alleen daarom al, is het al goed dat de SP bestaat." Zo eindigde mijn bijdrage aan deze kleine dialoog.
"Het zijn nog stuurlui op de wal. Even wachten tot ze aan het roer staan," reageerde hij sceptisch.

Hopelijk wint mijn optimische het van het door de wol geverfde scepsisme. Van mij mag de uitverkoop stoppen. Uiteindelijk gaan diensten meer kosten en worden ze minder efficient.

Overigens heb ik geen klachten over het kleine pontje bij Akersloot.

Geschreven: 11 september 2008 voor Volkskrantblog

zaterdag 5 februari 2011

Wind

Het is zo’n dag dat je thuis wil blijven. Het KNMI gaf donderdag al een windwaarschuwing en een veertig procent regenkans. Maar met wind mee, een nieuwe ketting en achterwiel moet het kunnen. Het duurde wel even voordat ik vrijdag de moed vond te gaan.

Al snel een eerste verrassing: tussen Amsterdam-IJburg en Muiden ligt een nieuw fietspad. De eerste ben ik niet die er overheen rijd. Er zijn verse en oudere fietssporen, getrokken met de modder en schapenpoep die op het pad ligt. Tijdenlang werd er gewerkt. Nu was het hek weg. Wel zijn er nog mannen bezig. Ook kabels gaan er de grond in; de digitale snelweg en langzaamverkeer gaan samen. En ze hebben er beide baat bij.


Grotere kaart weergeven
Het eerste stukje loopt aan de landzijde onder de Diemerzeedijk. Later fiets ik er bovenop. Meteen een mooi uitzicht over het IJmeer. In het midden ligt een vlot met een kinderhut of woning van een zonderling er op. Rechts ligt Muiden Chemie. De voormalige kruitfabriek heb ik nog nooit van die zijde gezien. Aan de linker kant water zo ver je kan kijken. En in dat water het eiland Pampus. Ik, de fietser, doe er even niet toe. Wel wat hij ziet. Dit nieuwe pad maakt mijn dag gelijk al goed. In mijn hoofd ook vergezichten.

Het zet de toon voor vandaag. De vele bouwprojecten langs de route kunnen de pret niet meer drukken. Er hangt een boom over het pad. Maakt niet uit. Huizen maakt het wel heel bont door fietsers kilometers om te laten rijden. Een smal fietspad langs het water – deel van een zogenaamde Lange afstands Fietroute (LF 23) - werd afgezet. De bestemingplannenmaker-van-dienst heeft geen oog voor fietsers of maakt van meet af aan duidelijk dat de grond aan het water meer opbrengt als ze verkocht wordt. Ik moet het eens uitzoeken, maar vandaag geen gemier op de vierkante meter.

De tocht gaat aan de Flevo-zijde langs de randmeren. Pas in Elburg zal ik weer naar het oude land oversteken. Water stuift over het pad langs Gooimeer, Eemmeer en Wolderwijd. De zijwind is nauwelijks te doen. Pas ter hoogte van Nijkerk begint de draai naar het Noorden en heb ik de wind in de rug. Zo kom ik waar ik zijn wil.

Het maximum vandaag is 43 km op het vlakke. Tegenliggende scholieren zwoegen naar huis en er zijn er ook afgestapt. De kuifveren van de kuifeenden wapperen in de wind. Een vloot zwanen duwt de borst vooruit door de golven. Ik zie mijn eerste kievit van dit jaar. Het maakt me blij - net als de eerste zwaluw dat later zal doen.

De wind waait ook mijn hoofd fris. Niet leeg. Er broeit iets. Dat boompje dichtbij, die vogel met zijn lichte kop die opvliegt als ik langs fiets (waarschijnlijk een nonnetje), de man die keek alsof de hele wereld kon barsten en toch blij keek toen ik hem groette, mijn eigen hoofd waar ik steeds minder van begrijp, de vogels, de zwammen, bomen en stadjes hebben evenveel waarde als de verten die ik wil zien. Maar nu zie ik over 't water en de bomen verderop de zandruggen van de Veluwe liggen.

Anderst





Nesciobrug, Amsterdam
Anders. Als je er op let zijn de paden die je vaak fietst altijd anders. Nu vind ik ze anderser dan anders. Lengte- en breedtegraad, fietspad en kanaal zijn nog wel zo als het was; de geuren, de kleuren, de geluiden, de ruimte en de sfeer niet. Zelfs dicht bij huis is de wereld vandaag onherkenbaar veranderd.

Anders zie je ook schepen op het kanaal. Nu zie je ze niet komen, maar doemen ze op. Van sommige hoor je het snijdende geluid door het water gaan. Andere schepen zijn zo stil dat ze er opeens zijn. In de verte hoor ik tssjàkuh-tssjàkuh-tssjàkuh-tssjàkuh. Het Zwitserse binnenvaartschip geladen met schroot komt langzaam dichterbij, lang zonder zichtbaar te zijn.

Anders is de route. Op een dijkje dat ik gewoonlijk neem is het spekglad. De parallelweg er vlak naast is ijsvrij en stroef. Er is een route gepland voor vandaag, maar hij kan onbegaanbaar zijn. Niets ligt vast, planning of geen planning. Tegenwind is een kwestie van doorzetten. Hier is doorzetten een stommiteit. Een flinterdun laagje gestold water is voldoende om me te doen keren.

Anders zijn de kleuren. Ze zijn ingehouden en stemmig. De kleine druppeltjes mist op mijn bril - die ik af en toe wegpoets met mijn handschoenen - zorgen ervoor dat de mist voor mij net iets erger is dan voor een niet-brildrager. De zon wil als een klein rondje door de wolken breken. De takken van de bomen zitten vol met rijp, de weilanden zijn afwisselend wit en getemperd groen. De wereld slaapt.

Anders is dat wit aan de bomen, de kou om mijn hoofd. Maar vooral anders is de wereld, omdat hij klein gemaakt is. Het einde is overal dichtbij. Niet voor het eerst fiets ik in de mist, maar zo mooi wit en zo stil en met zoveel geronk van schepen, dat is nieuw. Bij het huis aan de dijk breekt de zon door. Even, heel even, wordt de wereld groter. De koude wolken die voelen als een warme deken wijken en ik kan de uiteinden niet meer grijpen.

Drinkwater voor mens en dier


Eerst vul ik mijn waterflesje bij de kraan en drink iets. Onder de wasbak zijn bakken waarin water stroomt voor de dieren. Het doet me aan vakantie denken.
“Zoekt u iets?,” een man hangt uit het open raampje van zijn pick-up
“Nee ik wil en paar foto’s maken van dit huis. Iedere keer als ik er langs fiets denk ik wat prachtig.” Ik meen het en probeer hem tegelijkertijd goed te stemmen. Je weet immers maar nooit hoe een koe een haas vangt.

“O ik ben de bewoner,”
reageert de zestiger.
“Het is ouder dan de polder, niet,” vraag ik, omdat iemand me eens vertelde dat de polder van rond de voorlaatste eeuwwisseling stamde en het huis is duidelijk ouder.
“Nee in de stukken staat dat het bij de bouw zo hoog moest zijn dat je er uit het huis over de polder heen kon kijken.”
“O ja, dan moet er al een polder zijn geweest.”
Hij vervolgt: “Het huis was van de hoogheemraad. Het stamt ongeveer uit 1780.* De schuur is vermoedelijk nog ouder.”
Hoe meer hij vertelt, des te gemakkelijker het schrijven van een stukje bij de foto’s (veel had ik nog niet kunnen vinden op het internet).

“Nu ga ik snel nog wat boodschappen doen. Via het overpad op de dijk kunt u nog aan de achterkant van het huis kijken.”
Weg reed hij. Eerst loop ik door zijn achtertuin - er waren van die handige overstapjes gemaakt - over de dijk langs het huis.

Daarna ga ik langs het gemaal dat niet verweg ligt om te kijken wanneer het is gebouwd. Het staat op de gevel en op een gevelsteen, sinds 1892.maalt dit gemaal de polder droog.

* In de welstandsnota juli 2004 van de gemeente Muiden staat dat het stamt uit het tweede kwart van de 19e eeuw.

Donker en licht

De zon gaat onder als ik Harderwijk verlaat. De ijsbaan is bedekt met een dun laagje. Nog ruim tachtig kilometer voor ik thuis ben. Het eerste stuk loopt tussen het Wolderwijd en Nuldernauw aan de ene en de A28 aan de andere kant. Het is nog niet donker maar de rode en witte lichtjes van de avondspits trekken al wel strepen door het landschap.

Bijna donker is het als ik de Zeedijk bereik. Op het water zie ik stipjes. Ze liggen als grote vloten bij elkaar. Mhehk mek Mhe-u-ehk. Kuifeenden vermoed ik. Verder hoor ik grote groepen ganzen. Steeds meer komen er bij. Ze gaan over mijn hoofd als zwarte silhouetten. Was ik een fotograaf ik zou stoppen en de mooiste vlucht vastleggen. Verder een paar wilde eenden en het geluid van een meerkoet. Dit vind ik een event, een gebeurtenis met kracht.

Toch fiets ik door want het is niet alleen donker het vriest ook. Aan de overkant van het Nuldernauw loopt een mooi fietspad. Het is dit jaar vernieuwd. Voorheen was het harde grond met strooisel. Of ik er zonder die opknapbeurt ook overheen zou zijn gegaan? Nu zie ik er af en toe een konijn wegschieten. Een keer schrik ik net zo erg als hij of zij.

Door de bomen heen zie ik lichten branden. Bij daglicht zie ik daar geen huis, werkplaats of optrekje. In het donker zie je blijkbaar meer. Het licht van tegenliggende auto’s maakt me blind. Soms moet ik stoppen omdat ik niets meer zie. Een keer mis ik zelfs een afslag.

Bij Huizen is mijn route afgesloten door een enorm bouwterrein. Er omheen.  Er zit niets anders op. Even later besluit ik toch niets te eten aan het water, zoals ik vooraf had bedacht. In het donker is het tentje aan de Huizense promenade weinig uitnodigend.  

Dan komt het donkerste stuk. Tussen de Wolfskamer en Valkeveen. Er is geen licht en het fietspad is smal en gaat heuvel op en af. Een deel gaat over een smal kronkelpaadje door het bos. Ik zie niet veel en rijd toch maar één keer langs de verkeerde kant van een boom het bos in. Als dat achter de rug is, ben ik al bijna onder de A1 door en is de verdere route een peulenschil.  

Onderweg zag ik veel stukken van het wegdek gaan glimmen onder het licht van mijn lamp. Soms ging het om nieuw en glad asfalt andere keren om bevroren plassen. Mijn favoriete route van Muiden naar Amsterdam loopt over de Diemerzeedijk en langs IJburg. Te veel kans op glibber daar; ik doe het niet.

Bijna tot in Amsterdam veel water, veel riet en veel vogels. Het is rond etenstijd, koud en stil buiten en zo hoor ik ze snateren, piepen en kwaken in het donker en zie er geen.

woensdag 2 februari 2011

Hout: lege platte zwartgalligheid

“Mand,” het woord floept aan op een lichtbalk tegen de achtermuur van Zaal 1 van Frascati. Ik ben bij toneelstuk ‘Hout.’ Als ik deze bespreking weken later uitschrijf, lees ik op de website van de Toneelschuur in Haarlem waar het over gaat: de kracht van geloof in de ander en gedwongen participatie. Op het moment dat ik naar het stuk van Abke Haring ging, las ik ergens dat het ging over het bewaken van persoonlijke ruimte.

De spelers zijn drie mannen en een vrouw in ondergoed: bijna naakt en onaantrekkelijk. De zaal is van onderaf fel verlicht, maar omdat er stof of damp in de lucht hangt is het licht toch diffuus. De vier bewegen traag en mechanisch. Af en toe checkt er één iets door een commando te roepen. “X,” roep de één. “Vast,” roepen één of meerdere anderen. Mensen als apparaten. Moderne dans lijkt het, maar dan niet door dansers maar door toneelspelers.

Een compositie van monotone, soms pijnlijke klanken, die even het ritme van een heftige house bereiken, begeleidt het hele stuk. Het is een stuk over niets. Dialogen zijn er niet. Alleen die commando's en aanmoedigingen bij seks en een enkele korte en lange monoloog. De lange zit vol met verwijzingen naar verwrongen seksuele fantasieën. Als hij afgelopen is begint hij aan het eind weer van voor af aan. Alsof het een voorstelling in de Cineac is; een uit het hoofd geleerde riedel. Een andere monoloog verwijst onder meer naar het meisje bij de kassa die haar teksten inhoudsloos spreekt, zoals opgedragen en met uitsluitend beleefdheidsfrasen. Toch maakt ze “het huisdiertje in mijn lichaam wakker,” zegt de vrouw.

Het is seks en verder leegte. Bijna letterlijk nietszeggend. Er is een gore scene die doet denken aan een verkrachting. Nadat verschillende lijven boven op elkaar hebben liggen beuken, wordt één van de mannen vastgepakt door een man en de vrouw. Hij pijpt – al dan niet gedwongen - haar duim en moet een paar keer kokhalzen. Hij wordt grof in zijn mond gevingerd en tegen zijn achterste gebeukt. Het is afstotend, niet mooi en niet nodig. Aan het eind van de scene wordt de man afgedankt en bloot in een plastic zak gestopt.

Een man die alsof hij een vrouw is door een man en een vrouw wordt misbruikt en mishandeld, het had met meer subtiliteit en inhoud een krachtig gegeven kunnen zijn. Hier maken die halve verandering van geslacht en de handelingen duidelijk wat ik al wist; seksueel geweld is afschuwelijk en verwerpelijk.

Aan het eind is alles weer zoals het was. Zelfs de man uit de plastic zak doet weer mee. Alsof er niets gebeurd is. Veel was er ook niet gebeurd. Veel wijzer ben ik er niet van geworden. En veel plezier heb ik er niet aan beleefd. Maar dat zal de bedoeling wel zijn geweest. Lege platte zwartgalligheid dat was het.

Wilt u een positievere kritiek:
Zonderlinge, extreme performance, door Abke Haring.
Op de site van de Toneelschuur in Haarlem vindt u/jij meer besprekingen.

Hier nog de site van het Vlaamse toneelhuis.

Ik hoor een stem, de schreeuw van een gewond dier’


Ik hoor een stem
De schreeuw van een gewond dier.

Er zijn mensen die de maan beschieten
Er zijn jonge vogels die uit hun nest vallen.

De mens moet wakker geschud worden.
Er moet getuigenis gegeven worden,
Zodat het leven bewaakt kan blijven.


Dit gedicht van de Indonesische dichter Rendra is uitgangspunt voor een poppenspel over de vrijheid van meningsuiting en het opkomen voor armen en verdrukten en tegen misstanden als corruptie. Het is een voorstelling met de kracht van de jaren tachtig. Verteld door twee mensen en vele poppen, waarbij Oom Gong (in het Indonesisch Paman Doblang) de belangrijkste is. Hij is de legendarische Indonesische verhaalfiguur, die door de geschiedenis heen is gebruikt door dalangs (poppenspelers) en schrijvers, om datgene te zeggen dat niemand anders zeggen kan.

Ik zag het in het van Ostade Theater, in het gebouw waar Wijnand Duyvendak werkte bij Bluf! en later bij uitgeverij Ravijn. Waar ik zelf begon bij BONK. Waar mensen woonden die ik nog steeds ken en mensen werken voor wie ik nog schrijf. Ach jeugdsentiment. De jaren tachtig doen er niet meer toe, Wijnand heeft er afstand van genomen en drukkerij de Raddraaier, gevestigd in het hetzelfde pand, geeft geen opruiende teksten meer uit. Toch wierp de voorstelling me terug in de tijd.

Dit poppenspel was niet de jaren tachtig in Nederland. Dit stuk ging om de jaren 1965-1996 in Indonesië. Nee zeggen de makers. Het is nodig dat Oom Gong zijn verhaal weer vertelt. Er worden nog steeds mensen onderdrukt in de wereld, vrijheid van meningsuiting bestaat lang niet overal en er zijn nog steeds veel te veel orang miskin, arme mensen. De kracht van vroeger straalt de voorstelling uit. Een kracht om naar terug te verlangen. Een kracht die betrokken is en geen compromis lijkt te dulden.

De wisselwerking tussen de poppenspelers en poppen is soms vertederend. De spelers kijken naar de poppen alsof ze hun woorden niet zelf spreken, maar voor het eerst horen. De poppen zijn vaak overtuigend alsof het mensen zijn.

Er is een moment dat Oom Gong de gevangenis uitkomt. Hij gaat dan naar een militaire parade, omdat zijn bespelers hem uitnodigen. Hij zegt er niet van te houden.

“Ach kom nou Pak Gong, kijk toch het is een vrolijke parade.”

“Jullie kunnen niet met mijn ogen kijken,”
antwoord Oom Gong.

Ik moest hier denken aan het spandoek met Hidup ABRI! (leve het leger!) aan de gevel van het PDI gebouw van Megawati (juli 1996), waar men niet langer naar de pijpen van Soeharto wilde dansen. Het leger greep een paar dagen later in en vijf mensen uit het partijkantoor werden gedood en 149 gewond afgevoerd. Ik weet zeker dat Oom Gong iets van het spanduk gezegd zou hebben, met de prachtig gedragen stem die hij in de voorstelling krijgt.

De spelers zetten vervolgens een masker op, met het gezicht van een even oude Indonesiër, om wel met de ogen van Gong te kunnen kijken. Het is net of er drie mannen naast elkaar staan. Het verschil tussen pop en mens is geheel verdwenen. Dat is mooi en geënt op een eeuwen lange geschiedenis van Indonesisch poppenspel. Oom Gong kan zijn mond niet houden als hij naar de parade kijkt. ‘Stop Korupsi,” of iets dergelijks scheeuwt hij in het Indonesisch.

Hij wordt opgepakt en in elkaar geslagen. Oom Gong kreunt, jammert en steunt.

Dan komt wat ik de mooiste scène van het stuk vind. “Het is genoeg, ze snappen het nu wel,” zegt de speelster, Jet Smeets, tegen de speler, Ista Bagus Putranto. De boodschap ligt voor de hand: het geweld hoeft niet uitgemolken te worden, niet ingewreven, als je nu nog niet snapt dan snap je het nooit. Toch zou het nog een tip kunnen zijn aan de redacties van veel actualiteiten programma’s.

Hλέκτρα/Elektra tot op de bodem

Over het bezoek aan een leerzame, mooie
en grappige bewerking van een Griekse tragedie.

(21 februari 2010)

Fotobijschrift: Orestes, Pylades and Elektra bij het graf van Agamemnon, vaas ca. 330 v. Chr. (bron)


"Elektra" is een tragedie van de Griekse tragediedichter Sophokles. Het stuk werd geschreven tussen 435 en 410 v.Chr. Dat lees ik op wikipedia. Elders lees ik: "Elektra" is een tragedie van de Griekse tragediedichter Euripides. Het werk werd rond 420 v.Chr. geschreven.

Ik heb geen klassieke opleiding en zou er uit mezelf niet opgekomen zijn na de eerste pagina ook de volgende te zoeken. Dat doe ik door het toneelstuk dat ik net bezocht.

“Gaat u wel vaker naar tragedies?” vraagt de persoon die ons in De Engelenbak naar onze stoeltjes dirigeert.
De vrouw die voor me zit antwoord kort en verbaast: “Ja.”
“U kent het verhaal van Elektra dan zeker ook wel?”
Weer datzelfde “Ja.”
Ik ben blij dat ik daar niet zit. Op dergelijke vragen “nee” antwoorden is niet prettig.
“Schuift u allen een beetje naar het midden!” roept de vrouw nu.

Even later zal de uitvoering van Elektra ad fundum door Theatergroep De Zucht beginnen. “Tot ... wat?” vragen ik en de persoon met wie ik ben aan elkaar. Tijdens de uitvoering blijkt dat ad fundum tot op de bodem betekent.

De vrouw vraagt nog iemand iets over de tragedie. Daarna stelt ze hard vast, zodat iedereen het kan verstaan, dat Elektra eigenlijk een simpel verhaal is; het is een verhaal over een vrouw (Elektra) die wacht op haar broer (Orestes) om haar moeder (Klytaimnestra) en minnaar (Aigisthos) te vermoorden, omdat die samen haar vader (Agamemnon) hebben vermoord. Er dwarrelen nog wat mensen en moorden omheen.

Zo we weten waar het over gaat en dat zij die zo eigenwijs onze plaatsen aanwees een rol speelt in het stuk. Een belangrijke rol zelfs. De vrouw met het opvallende decolleté is theaterrecensente met veel ambities en een grote geldingsdrang. Omdat de avond ervoor gebleken was dat het publiek lang niet alles snapte van de tragedie is besloten een avond met een nabeschouwing te doen. Onder haar leiding en met de spelers.

De eerste vier die opdraven zijn de bijrollen: Chrysothemis (eveneens dochter van Agamemom), Paidagogos (hier een Russische die het kindermeisje van Orestes speelt), Pylades (de boezemvriend van Orestes) en het Koor van Myceense vrouwen. Door hun ijver en inzet gaan zij een hoofdrol spelen in Elektra Ad Fundum.

Niet de sterren die later komen, Elektra, Orestes, Klytaimnestra en Aigisthos, zijn in deze bewerking de belangrijkste spelers. Allereerst omdat de bijrollen zelf hun belangrijke rol benadrukken, maar ook omdat Elektra hier een van zichzelf overtuigde diva met sterallures is. Het kindermeisje heeft de grootste rol en stijgt door het prachtige acteren, het bijtende venijn en de diepte van gevoelens, tot de echte ster van het stuk.

In het derde deel worden de bij elkaar passende personen samengevoegd tot één persoon en spelen in het kort de tragedie. Ze stellen daarbij een aantal kwesties, zoals moedermoord aan de orde. De drie personen zijn gegroepeerd rond Elekctra, Orestes en Klytaimnestra. De drie spreken en murmelen als uit een mond.

Voor mij was het een prachtige voorstelling. Snel ben ik door de Griekse mythologie gevoerd. Dat de kinderen van Agamemnon nazaten zijn van Tantalus en net als hij lijden onder de woede en pesterijen van de goden wordt me bijgebracht. Ik hoor over verschillende visies op de rol van de tragedie en het theater in het algemeen. Een stuk over eerwraak, maar ook over liefde en over de positie van de vrouw en de verschillende rollen van mannen. Ik heb kunnen lachen. Herkenbare mensen gezien. Mooie zinnen gehoord. En ik ga dit stuk lezen als we het uitgeleende boek Griekse Mythen van Imme Dros weer terug in huis hebben. Ik weet nu ook dat er verschillende versies van bestaan.

Wie zich kan verheugen en niet onder tegenslag lijdt is een gelukkig mens


(21 februari 2010)

Wachten op Godot

De telefoon is de hele tijd in gesprek. Als hij uiteindelijk wel reageert, krijg ik een melding dat pas om drie uur weer opgenomen zal worden. “U kunt ook kaartjes bespreken op onze website: theaterfrascati.nl”. Dat had ik al geprobeerd en dat was niet mogelijk. Daarvoor was ik blijkbaar te laat.

’s Middags doe ik andere dingen. Pas om zes uur heb ik tijd weer naar het kaartjesbespreekbureau te bellen. Voordat ik iemand aan de lijn krijg vertelt een antwoordapparaat me al dat de kaartjes uitverkocht zijn. Daarna komt er een reeks huishoudelijke mededelingen, een cooling down voor opgewonden mensen. Dan pas krijg ik een levend mens. “Ik weet al dat …,” zo begin ik. En met “… maar wat nu?” vervolg ik. “Komt u om half acht naar de kassa van Frascati in de Nes,” is het advies.

Ik moet nog koken (rouweandijviestampot met paranoten), nog eten en nog fietsen. Om vijf voor halfacht zet ik toch mijn fiets neer en moet iemand die dat sneller kan voorlaten. Er staan al ruim twintig mensen te wachten. En er komen er steeds meer bij, daar voor dat zware ijzeren hek. We kunnen binnen drie mensen zien die bij de kassa staan te rommelen. “Het stuk is al begonnen,” stelt een wachtende. Wij zijn de spelers. Mensen fietsten vlak achter ons langs. Als voetbalsupporters werden we na half acht binnen gelaten.

De man achter de kassa adviseert ongeveer in volgorde van aankomst te gaan staan. We krijgen allemaal een briefje met een volgnummer. Net als bij de slager. De oudere vrouw die sneller dan ik haar fiets op slot kan zetten, schuift nog een paar plaatsen naar voren op, zodat ze meer kans heeft. “Komt u om tien voor half negen terug. Dan worden de niet afgehaalde kaartjes verdeeld. Om half negen tellen we dan nog de lege stoelen en die worden dan ook nog verdeeld.” Het lijkt verdorrie wel of het over vliegtuigstoelen gaat.

In de Brakke Grond drink ik tot die tijd een Orval en lees de NRC-Next van de dag ervoor. Als ik terug kom zie ik de vrouw al staan waarmee ik afgesproken heb. Ik leg haar de procedure uit en ze kijkt me aan en lijkt zich even af te vragen wat ze er van vindt. Ik geniet. Het gaat hier om kaartjes voor een lang en serieus toneelstuk. Het is alsof het om een popconcert gaat.

Naast me staan twee dames in theaterlak, -poeder en -dress, die net te laat waren om hun kaartjes op te halen en nu ook op de wachtlijst staan. Ze mopperen dat het een vertoning is. Heel voorzichtig zeg ik: “Ja je zou bijna gaan denken dat het er bij hoort.” In zo’n rij kan je het beter gezellig houden.

Het is tien voor half negen. “Nummer 312?” roept de man. Daar gaan twee kaartjes. “Nummer 317?” Die zijn met zijn zessen. Ik heb nummer 322. De niet afgehaalde kaarten zijn op. Nu weer wachten op het stoelen tellen. “Nummer 319?” De eerste twee lege stoelen zijn bezet. Bij nummer 321 wordt overlegd. Wat ze zeggen hoor ik niet. Het is penibel, dat begrijp ik. 321 Krijgt zijn kaartjes. Ja wij zullen het ook wel redden. Inderdaad het lukt. Ik kijk niet eens meer om of er nog meer naar binnen mogen.

We zitten in een afgeladen zaal. Voor driekwart gevuld met 25-. We kunnen naar ‘Wachten op Godot’ door Toneelgroep Oostpool gaan kijken. Wat een mooi toneelstuk is dat en de uitvoering is zoals ik denk dat het moet. Het was het wachten waard. Bij deze korte bespreking wil ik het houden. Lees maar een recensie van een echte recensent als u/jij echt benieuwd bent.

Wachten op Godot from wiel on Vimeo.

twee korte gedichtjes