zaterdag 23 juli 2011

Wie kent deze veren?

Een deel van een vlerk gevonden langs de afsluitdijk, maar van welke vogel? Wie weet het antwoord?



Bedankt!

zondag 10 juli 2011

Dagje Texel












Er zijn meer plannen dan dat er tijd is. Ik wilde al tijden op Texel fietsen. Het is niet zo ver reizen van Amsterdam. Ruim een uur met de trein. Een stukje door Den Helder. De boot over het Marsdiep. En dan ben je buiten op het eiland van Slufter, Oudeschild, Mokbaai, Den Hoorn, uitgestrekte stranden en een polder die andere Waddeneilanden niet hebben. Toch is het in Amsterdam niet gebruikelijk een dagje naar Texel te gaan. Groningers weten wat dat betreft veel meer gebruik te maken van Schiermonnikoog.

Het was laat toen ik weg ging. Er liep nogal wat mis. De tijd tussen misgaan en vertrek gebruikte ik daarom maar voor wat kleine klusjes. Die moeten ook af en het heeft weinig zin om te treuren als het niet gaat als gewenst. Tijd dat zou ook het thema zijn waarover ik mezelf verplichtte vandaag op de fiets na te denken.

Allereerst was ik er laat. Pas om drie uur. Je kan er zelfs als je gebruik maakt van het dalurentarfief al om kwart over elf zijn. De laatste boot gaat al om negen uur terug. Gaat dat lukken een rondje Texel in zes uur? Het bleek geen enkel probleem. Naar De Cocksdorp werd ik geblazen. De 4 ½ uur die ik over had voor de terugreis waren genoeg om veilig de boot te bereiken, ondanks de tegenwind en veel rusten.

Bij de Slufter stond ik onderaan de trap. Maakte een foto. Ik keek naar boven en vond het te zwaar om het duin over te gaan. Even maar, toen zette ik mijn fiets weg en klom ik toch naar de plek met bankjes en vergezicht. Tussen de “Hoe wil je erop's” und “Ja genau's” kijk ik over de prachtige vlakte uit. Een Duitser achter me vertelt beeldend hoe wind en getij de Slufter vol water kunnen zetten. Ik hoor leeuwerikken en zie in de verte het duin vanwaar ik de foto heb gemaakt die nu in de banner van dit blog zit.

Vlak voordat ik de trap bereik, bedenk ik me op mijn fiets dat ik in de trein al opschreef hoe ik mijn energie zo moet inzetten dat ik het meeste presteer. Er staat inderdaad een schema op papier. Maar dat is meer een begin. Ik blijf daar aldoor steken. Dat ik dacht er al te zijn was de gelukzaligheid die me overkomt als ik fiets. Het is niet de werkelijkheid. Ik wil graag werken. Liefst een uur of 36 per week. Maar hoe doe je dat als de energie vaak na 3 uur op al op is.

Geen schema maar een lijstje deze keer:
minder drinken
geen zoetigheid
(vlak na het eten daarvan stort ik in.),
vroeger naar bed
betere planning
(hmmmm, planning wat is dat?),
uurtje na de lunch rusten
(dat werkt. Mag ook minder zijn.), en
een strak schema volgen
(zal er niemand mee vermoeien.).

Eén keer in de week zit ik op de fiets. Waarom kan ik daarvan genieten en ben toch niet blij, vraag ik mezelf af als ik op bed al mijn tweede middagrust neem. Wil je dan blij zijn? is de logische vervolgvraag. Het is het begin van een gesprek met mezelf. Het woordje blij heeft een hoog EO-gehalte. Nee. Tevreden dan? schiet het wat gepikeerd door mijn hoofd. Als je niet tevreden bent, wat wil je dan van jezelf? Verdorrie ik lijk mijn eigen officier van justitie wel. Een OM in mijn hoofd. Het is nodig want ook met het eenmaal fietsen in de week lukt het niet meer mezelf op de been te houden.

Wil ik dan teveel? Vraag ik meer dan ik kan? Dan kan je wel effiënter met je tijd omgaan, maar dat zal het niet oplossen. Vanmiddag gooide ik handdoek, zakdoek en handschoen door elkaar en voelde me doodmoe. Ik wilde eerst iemand de handdoek op laten pakken. Bijna een freudiaanse verschrijving. Daarna werd ik gecorrigeerd, maar korte tijd later was ik dat al weer vergeten en werd het zakdoek. Moe word ik soms van mezelf.

Soms wil ik wel gewoon blij zijn en niet alleen op de fiets. Dat drijft me niet gelijk in de armen van Andries Knevel.

(later kom ik op dit blog terug)

vrijdag 8 juli 2011

Werk in uitvoering

 

 

De zee trekt ...

… ik hou van haar
zielsveel
zoveel kan ik van mezelf
niet kan houden

toch keer ik steeds terug
naar hen
waar ik nog meer van hou

Zandkastelen




zondag 3 juli 2011

Ouderwets genieten










De afgelopen tien dagen sliep ik vier keer in een tent(je). Met vriendin en kinderen ging ik twee dagen kamperen op de Hallse Hull. We doen dat al jaren ergens in mei of juni om de verjaardagen van de neefjes te vieren. Ook daarvoor kwam ik er al en ik ben aan de plek gehecht geraakt. De camping heeft een groot veld omringd door eiken, met een kapschuur waar je bij regen droog kan zitten of tafeltenissen en waarin meestal een uil nestelt in de kast in de nok. Het is van een aangenaam soort ouderwetse schoonheid. Toch kan je er zelfs als je je adapter vergeten bent je telefoon opladen (want er hangt een hele tris met verschillende plugjes klaar) of je maaltijd voor 50 ct in de magnetron schuiven.

Een week later vertrok ik op de fiets naar De Meenthe bij Noordwolde. Ook de Meenthe is net als de Hallse Hull een camping van de Nivon. Een fikse Noordwester maakt een stevige tocht van de reis naar Friesland. Onderweg zie ik naast de Oostvaardersplassen een dode vos aan de kant van de weg liggen. Onder luid protest van toeterende auto's maak ik een foto van het dier. Mijn compactcamera stelt niet meer scherp na een val van mijn bureau. Dat weet ik dan nog niet, omdat ik vrijwel altijd de zoeker gebruik. Na Urk rij ik tussen eindeloze akkers door met in bloei staande aardappels, geurende kool, (inderdaad) wuivende halmen en groen bietenloof. Eindeloos, tot Kuinre, het landschap van mijn jeugd in Dinteloord en Prinsenland, maar dan nog uitgestrekter en zonder dijken.

De Meenthe ligt aan het eind van een pad vol gaten. In het donker – en dat hartje zomer – kom ik aan. Door een vriendelijke vrouw wordt ik naar het trekkersveld gebracht. Het is pikdonker op de camping. Onderweg laat ze me de voorzieningen zien; koelkast, ruimte voor slecht weer, douches en toiletten. Die toiletgebouwen ademen een tijd van voordat ik geboren was. Dat is geen diskwalificatie maar juist stijlvol. Achter de deuren zijn ze modern. Een camping zonder overbodige franje, maar wel met alles wat je nodig hebt. Dat is niet zoveel. Je moet je eigen vermaak maken, het woord zegt het al (of je X-box meenemen). Mijn vermaak, de compactcamera, moet hersteld worden of vervangen; ik kan na een half jaar niet meer zonder.

Nog een klein stukje verder moet ik de volgende dag: naar Dwingeloo. Als jongen van een een jaar of vijftien á zestien ben ik er op kamp geweest met het Landelijk Christelijk Gereformeerd Jeugdwerk (LCGJ). Er was een groep uit Usquert, een andere groep uit Gaasterland en een groepje de rest, waar ik bij hoorde. Het kampgebouw De Marke ligt er nog steeds; midden in de bossen bij het Dwingelderveld. Als ik het pad op fiets waaraan het ligt, rijdt een stoet auto's de zandweg op. Ze gaan ook naar De Marke. Mensen op het terrein zijn druk. Ik schiet wat plaatjes. Het dagverblijf is gemoderniseerd. Er ligt nog een gebouw naast dat ik me niet kan herinneren. Maar sowieso komt er niet veel bij me boven: de kampband VLA, het kersenpitten spuwen, de lange tafels, dat ik een meisje afwees, omdat ik niet wist wat ik er mee moest. Een paar nieuwe herinneringen komen erbij. Er staan nu bijna geen fietsen, maar vooral veel auto's. Overal is meer.

Op naar de volgende plek. Het hoofddoel van deze reis. Onderweg pluk ik bloemen. Dat deed ik als kind al graag. Dat is nu nog steeds zo. Door het zoeken naar diverse soorten let ik goed op de berm. Afgestapt om een bloem af te snijden zie ik de vlinders en zweefvliegen die er fladderen, helikopteren of landen. De bloemen zijn voor Barbara die een tentoonstelling heeft in een tot galery omgedoopte paardenstal. In de tuin om de stal staan beelden, bomen, bloemen, een pipowagen, kunstwerken en rariteiten. In die tuin zet ik ook mijn tentje op. Tentoonstelling met kampeerplek, waar heb je dat? 's Avonds een vuurtje, wijn, aangenaam gezelschap, uitzicht op een glooiend natuurgebied aan de ene en een zeer kleurrijke zonsondergang aan de andere kant. Het was er prettig.

De volgende dag rijd ik met een omweg naar Beilen om de trein naar Amsterdam te nemen. Ik voel me een beetje als vroeger na een kamp. Moe en vol indrukken. Nieuwe indrukken. O ja de schilderijen: de mens anders en bijna tijdloos. Dit is ook franje, maar wel van een soort die de mens op de hak neemt en bevraagt. Zelfs zichzelf kijkt ze aan met een blik die ruimte zoekt en vragen stelt. Of is het gelatenheid? In een museum zou ik ervoor stil blijven staan.

Geluid van de zee



Vandaag heb ik in Groningen vergaderd. Nu zit ik in Lettelbert op een Nivon-camping. “Wat u hoort is het geluid van de zee,” zegt Kift zanger Ferry Heyne in het nummer ‘de eeuwige bewonderaar.’ Je hoort op de achtergrond duidelijk de auto’s razen over het circuit van Zandvoort. Die zee hoor je hier ook. Zelfs na acht uur op een door de weekse avond. De wind komt met flinke kracht uit het noorden waar ook de weg ligt.

De zon schijnt en de wolken trekken over het Groningse gras, de koeien en het riet van het Leekstermeer. ’s Avonds staat er een zee aan sterren zichtbaar aan de hemel. Het zou prachtig kunnen zijn.

De Nivon heeft campings op negen mooie plekjes. Dit is de eerste waarvan ik denk: waar ben ik beland? Op camping de Hondenhoek dus. Ik ken ze niet allemaal, maar in Vlaardingen (inmiddels helaas opgedoekt) en Wijk aan Zee heb ik minder last van de industrie dan hier van de auto’s.

Mogelijk in de zomer, als de westenwind de herrie meeneemt naar een andere plek is het er goed toeven. Je huurt voor € 10 een hele dag een tweepersoons kano of voor € 7 een kajak. Als het warm is en het kampvuur brand, fles wijn erbij en een gesprek, dan neem je de A7 mogelijk op de koop toe.

Het welkom is ook al bijzonder. Een man komt aanlopen: “Ik ben de beheerder.” Ik zie dat onmidddellijk aan zijn houding. “Ik ben hier toevallig (…) U bent zeker geen lid?” Triomfantelijk trek ik mijn lidmaatschapskaart waarop prominent het woord 'voorwaarts' staat. Duidelijk dat hij er niet voor mij is, maar zijn moppertoontje is onnodig. Hij is er voor het bespreken van een reparatie, blijkt als de klusjesman arriveert.

Ik ga vroeg naar bed en hoop dat ik doorslaap. Het is inmiddels pikdonker - op de camping waar ik de enige gast ben - en het gaat maar door: vrachtwagens en personenvervoer ze maken een razend, snerpend en donker brommend geluid dat wordt bedekt door iets dat zou kunnen lijken op het geluid van de branding, maar toch heel anders is. In de ochtend zouden storm en regen het geluid van de weg overstemmen.

16 oktober 2009