zaterdag 28 september 2013

Vergetelheid


Rot op!

De pijn bij het uit bed stappen. “Ach man loop toch niet zo te lamenteren over kwalen en vermoeidheid! Ga toch trappen,” bas ik tegen mezelf om er weer vaart in te krijgen. Maar eerst geef ik nog een advies voor niets en dan pas op de fiets. Als dat gaat – of nog wat minder -, is 't toch goed genoeg. En wat niet kan, dat kan niet.

De zwaluwen zijn verdwenen, maar de kardinaalsmuts bloeit.
Rot op met je vergetelheid. Laat het horen. Schrijven gaat immers ook nog.

(Ach was het maar zo gemakkelijk denk ik een nacht later. En dan begint het verhaal weer opnieuw.)

Je kan de foto's aanklikken voor een grotere versie. De foto van de kwallen is van 28 de andere foto's van 27 september.


zondag 22 september 2013

Vastgebeten




glimlach

Deze week schreef ik een stukje dat zich in me vastbeet. Het onderwerp 'Libische wapens naar Nigeria' stond vast. Er moest alleen een recent voorbeeld van geweld bij. Geen probleem. De Nigeriaanse kranten geven iedere dag wel wat. Het verbaast me dan wel dat zo'n tekst bij mij veel, maar bij lezers weinig doet.

Goed dat de fiets er is, om ook de schoonheid nog te zien.

Iemand schreef me: “Interessant genoeg wonen de leukste Afrikaanse journalisten die ik ken in Nigeria. Moedige, razendslimme onderzoekers met gevoel voor humor ook.” Een land met 1499, net geen 1500, illegale grensovergangen, het moet wel leiden tot een brede glimlach om niet wanhopig te worden.

Je kan de foto's aanklikken voor een grotere versie. Bovendien krijg je soms informatie als je er met de muis op gaat staan.


woensdag 18 september 2013

Van Zee




Aanlegplaats

Primo Levi
vertaling Maarten Asscher en Reinier Speelman

Gelukkig de mens die de haven bereikt heeft,
Die zeeën en stormen achter zich laat,
Wiens dromen gestorven zijn of nooit geboren,
en die zit te drinken in het café van Bremen,
dicht bij de haard en van zijn rust geniet.
Gelukkig de man als een gedoofde vlam,
Gelukkig de man als zand in een riviermond
Die zijn last heeft neergezet, en zich het voorhoofd heeft gewist
En die uitrust aan de rand van de weg
Hij heeft geen vrees, noch hoop, noch verwachting,
Maar onbewegelijk kijkt hij naar de ondergaande zon.


Maar dit wil ik niet. Ik wil niet aankomen. Ik wil niet met een boterham met pindakaas naar de zee om daar de zon weg te zien zakken. Geef mij de tijd en ruimte, dan zal ik juist naar Vladiwostok fietsen. Daar zou ik dan de zon aan zijn reis zien beginnen.

Naar de bodem zakkend zand. Het is een paar mm of µm groot. Het is een eindproduct. Soms wordt het weer gebruikt in de bouw van wegen of gebouwen. Maar het begon als steen. Als rotsen die continenten hun vorm gaven. Rivieren deden onstaan. Zo groots hoeft en kan het niet. Maar dat ene rotsblok wil ik wel zijn. Door zijn ligging stroomt het water net wat anders.

Het is niet dat ik Levi niet snap. Het is niet dat ik het niet mooi vind. Zelfs in het Italiaans is het mooi om te horen (klik maar op dat filmpje). Het is niet dat ik het niet ook zou willen. Op een bankje naar de in zee zakkende zon kijken. Maar ik verzet me tegen het einde van mijn geschiedenis. Ik zoek naar een klein plekje om te ontdekken wat ik wil zeggen (liefst ook nog als ik krakkemikkig ben). En ik zoek naar een klein hoekje om daar over te schrijven en spreken.

Gelukkig weet ik die hoekjes nog steeds te vinden. En die zakkende zon, daar kijk ik bewogen naar om daarna weer verder te gaan.

L'approdo

Felice l’uomo che ha raggiunto il porto,
Che lascia dietro di sè mari e tempeste,
I cui sogni sono morti o mai nati,
E siede a bere all’osteria di Brema,
Presso al camino, ed ha buona pace.
Felice l’uomo come una fiamma spenta,
Felice l’uomo come sabbia d’estuario,
Che ha deposto il carico e si è tersa la fronte,
E riposa al margine del cammino.
Non teme né spera né aspetta,

Ma guarda fisso il sole che tramonta.



Je kan de foto's aanklikken voor een grotere versie. Bovendien krijg je soms informatie als je er met de muis op gaat staan.


vrijdag 13 september 2013

Klagen








Net op tijd


Mensen houden niet van geklaag (alleen van zelf klagen). Kijk naar de dingen die je wel kunt; naar de mooie dingen, zegt men. Dat doe ik dan maar weer, tegen de klippen op. De eerste 10 km fietste ik door een havengebied met heel veel vrachtverkeer. De Westrandweg is ontdekt. Ik zag een motorfiets op de weg liggen, de berijder lag onder de vangrail. De pont over het Noordzeekanaal was net een minuut weg.

In het parfumflesjesmuseum van Winkel mag je niet fotograferen. Het lot neemt een wending. Ik was er toch niet naar binnen gegaan. Niet mijn ding. Ook positief: het regende heel lang, maar minder dan verwacht.

Het best voor het slot. De Jan Hop lag klaar voor vertrek. Die pont komt in een liedje voor. "Het was op de cd Koper in het nummer Ceremoniemeester dat T met pont Spijkerboor overvoer en niet een kwartje maar een hele gulden fooi gaf!", aldus Ferry Heyne, de zanger van Kift, een paar jaar geleden.

“Je bent net op tijd,” zei de huidige veerman. Het maakte mijn rit mooier.


zondag 8 september 2013

Melkmoes &




ramboetan

“U moet anders rijden,” zegt de man naast me op het bankje aan het Nuldernauw, “via Putten, Elspeet, Emst en Twello. Die route loopt door het bos.” Dat laatste deed de mijne via Apeldoorn ook, maar ik ben af-en-toe wel in voor iets anders. Bovendien was deze van de man iets korter en dat kwam goed uit.

Ik bleef langer zitten dan gepland. We hadden het over eten. Dat is is één van mijn lievelingsonderwerpen. De man en zijn vrouw – die er ook zat – verheugden zich op de melkmoes. Het is een stevig traditioneel Veluws gerecht dat de volgende dag uit de ketel zou worden verkocht. Zij had hem het liefst warm, hij het liefst koud.

Via de smakeloze aardbeien en tomaten kwamen we vervolgens op het fruit uit Zuidoost-Azië. “Zoveel aanbod en zo lekker.” De aarbeien worden in Maleisië geteeld hoog in de bergen en zongerijpt. De ramboetans werden opgehemeld. We hadden het over de doerians die in juni in stapels te koop liggen aangeboden. De man had hem geproefd. De vrouw had hem laten liggen.

Dat veel van dit fruit ook in Nederland te koop is, wilde er niet in. Bovendien zijn de tomaten met een vlekje, maar ook met smaak, en zoete rijpe aardbeien te koop bij veel van de kleine Marokkanse supermarkten. “Die hebben wij hier op de Veluwe niet. Hier is het wat de boer niet kent, dat vreet hij niet.” Klagen over smakeloosheid is leuk en veilig genoeg om niet naar een oplossing te willen zoeken.

Ze aten in de bush van Maleisië rijst met groente en vis, bereid in een bamboekoker. Hier op de Veluwe moet je niet gekker willen dan AH, Plusmarkt of Coop. Ja ganzelever dat dan weer wel. De man was jager. Vanuit Ermelo is Spakenburg ver genoeg. Dat de meeste mensen op de Veluwe nu ook wel eens rijst eten of pasta, wordt niet gezien als een verschuiving van gewoontes. Alles ligt vast.

Ik vraag me af hoe het zit met de rozijnen in de melkmoes? Wanneer werden die in Nederland voor het eerst gegeten en waar kwamen ze vandaan. Ik vraag het per mail aan Rob van der Meer. Hij stond tien jaar geleden bekend als rozijnen liefhebber pur sang. (De mail kwam onbestelbaar terug.) Vermoedelijk waren het de Romeinen al die de gedroogde druif introduceerden. In de 17e eeuw kwan hij vooral uit Spanje.

Het duurt even voordat ik het gesprek met de man en vrouw kan plaatsen. Ik houd het op regionaal conservatisme met een luxe geglobaliseerd randje. 

Je kan de foto's aanklikken voor een grotere versie. Bovendien krijg je soms informatie als je er met de muis op gaat staan.


dinsdag 3 september 2013

Vakantieverhaal

Mijn favoriete vakantiefoto van dit jaar. Hij stond al op Al weer een foto



Meer is minder

Ik ben vertrokken. De neus naar het zuiden en maar stappen. Van Amsterdam naar Zandvoort en sindsdien de kustlijn volgend. Al weken loop ik. Steeds minder bagage om mee te dragen. Wat kleren, een schrift en een pen, maar vooral sandalen. Meer heb ik niet nodig. De zilte lucht wisselt met die van havens en vis. Bij eb ruikt de zee naar wier, krabbetjes en schelpdieren die penetrant dood in de lucht hangen. Er zijn de meeuwen met hun gekrijs, de sterns met hun korte kreet en de zon op mijn hoofd. 

Nog even en ik bereik Étretat; een stadje aan de Normandische kust. Bekend vanwege de mooie formaties van de krijtrotsen. Al dagenlang zie ik er ansichtkaarten van in de stalletjes langs het strand. Het ligt op de route. “Niet de moeite waard; erg toeristisch,” is me verteld. Ach het zal wel meevallen. Langs het lelijke kijken heb ik wel geleerd de afgelopen halve eeuw, waarin de wereld niet mooier is geworden, maar nog zo veel te genieten kent. Die rotsen zijn een paar duizend eeuwen oud en ik wil ze op waarde schatten.

Maar afslaan rechts na Le Havre: nee. Geen Mont St. Michel. Én. Het is nog ver weg. Maar ook in Hendaye of Irun ga ik niet westwaarts. Niet achter al die mensen aan die om betekenis aan hun vlucht uit het dagelijkse leven te geven de bedevaartsroute naar Santiago de Compostella lopen. Gewoon door naar het Zuiden. Sjokken. Dwars door de Iberische woestijn. Als vanzelfsprekend langs Madrid, dat altijd op de route ligt, maar verder zie ik het wel.

De zon gaat onder. De lucht is roserood, zoals het haar van de dirigente die ik zag vlak voor vertrek. Ze dirigeerde het eerste vioolconcert van Prokovief. De muziek schoot gisteren rond de avond voor het eerst weer in mijn hoofd.

De natuur hier past bij de dirigente en die muziek. Een vrouw die voor een gerenomeerd orkest staat. Hoe vaak heb ik dat al gezien? Volgens mij nog nooit. Vechten om niet gepest te worden met dat haar en uiteindelijk greep op al die mannen en vrouwen; ze aanzetten tot het beste. Zal dat het zijn?”

De uitvoering was prachtig. Deed niet onder voor Valery Gergiev, om een favoriet van me te noemen. Helaas slecht in namen. De hare vergeten. Nu uitkijken. De stenen zijn scherp en sommigte liggen los. Niet vallen. Het hoofd buigen.



In een gebogen houding ga je sneller tobben. Dan duiken ziekte en thuis weer op. Na de grens met Spanje dan is het vroeg genoeg om weer aan pijn te denken. Nu negeren in de tredmolen van iedere dag verder. Vergeten. Afstompen. Zie je wel ik voel het al weer. Erover praten, denken of schrijven kan niet. Het bederft alles. Het is er altijd. Overdag. In de avond. 's Nachts als ik wakker wordt en 's morgens aan het begin van de dag. "Wat voel je dan?" vroeg de UWV-arts fleemend. Ik kon het niet zeggen, omdat ik niet aan de pijn wilde denken. 

Het was diezelfde arts die in mij een vrolijke man voor zich zag zitten: “die wel twee keer lachte tijdens het gesprek.” Functioneel lachen dat was het. Dat doet een gesprek beter verlopen. Maar nee het werd uitgelegd in een vorm dat ik gezond was. Dat ik nog eens als een lachebekje zou worden gezien, wie had dat kunnen denken. Een Wouter Bosje. De middag erna had ik een gesprek met een psychologe. Diagnose: depressief en suïcidaal. Ze heeft er voor doorgeleerd. Ja ik kan er nu weer om lachen, al voel ik nog steeds woede over die nepartsen van het UWV. Medici die mensen beter schrijven in dienst van de staatsruif en het daarom specialisten passeren. Ach het is lang geleden. En woede vreet je op. Je moet verder.

Het landschap is vrij vlak. Naast de smalle rustige velden staan bomen en struiken. De kleine bolletjes van het vlas wiegen in de zinderende lucht. Of het vlas ligt al plat en omgelegd op het veld om te rotten. Slijten en dauwrotten heet dat. De leeuwerikken in de lucht maken het lopen, omdanks de hitte, tot een feest. Ze fluiten een eenvoudig wijsje dat de dag kracht bijzet. Satie leerde me dat weinig meer kan zijn en vooral dat dit geen cliché is. Een levenlang kan ik naar de Gymnopédies en vooral de Gnossiennes luisteren. Toch zoek ik even naar meer. Het stadje Chateaubriant kan ik niet zomaar passeren. Ik neem er een 'chateaubriant'. Verder heeft het niet veel te bieden en de biefstuk smaakt ook niet echt. “You think you're smart,” zegt een dronkeman die naast me zit te eten, “but your beef isn't named after this city, but after one of the numerous nobleman this country produced.”



Als ik de Pont de Saint-Nazaire overga dan zie ik eindelijk weer water. De zee in de verte, niet die vlakke zoals in het kanaal, maar de Golf van Biskaye, waar het echt kan spoken zoals iedere zeeman weet. Ooit was ik dat ook. Zeeman. Nu loop ik langs de stranden en kijk over de branding naar de vlakte die zo groot is en zo eindeloos en zoveel krachtiger dan wij met ons bijna zeven miljard. Mijn sandalen zijn vrijwel versleten. Mijn opschrijfboekje is nagenoeg vol. Mijn hoofd is leger dan leeg. Waar zou ik over moeten denken.

Hoe was het ook al weer? De zee trekt. Ik hou zielsveel van haar. Meer dan ik van mezelf kan houden. Zo ongeveer en nog iets meer, schreef ik ergens op het internet. Ze is ook zo groot, zo wijds en zo omarmend. En overal. Als je maar naar de randen wil lopen. Dat iets meer, waar ik destijds over schreef, wat was dat? Ik keer terug, herinner ik me. Maar waarom?”

Het Lac du Hourtin wil ik zien op ooghoogte. Dit is een van die plekken die me uit zo'n klein ovaal raampje op hoogte aanspraken, zodat voortaan de wens sluimert het in het 'echt' te willen zien en genieten. Op de grond is het minder zichtbaar. Het meer ligt tussen de bomen en als ik kom aanstappen dan zie ik het al. Dit gaat mis. Hourtin Port is een jachthaven met jachthavenmensen, met jachthavenbruin, en dito shirts en broeken. Ik hoor hier niet en verdwijn.

Weer op de vlucht. Een echte saté zou ik willen. Met de smaak van trassi, djinten, knoflook en sambal. Of gewoon een expresso; een sterke met een glas water. Het wordt het zand en de zee, water, banaan en brood.

“Het doel van het leven is lopen als het moet, genieten als het kan en iets betekenen; niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen. De 99% zo je wilt. Vaak voor minder en soms voor meer. Behoud het mooie en bestrijd het lelijke. Dat is een goed uitgangspunt. Zo kan ik verder.”

Geen pagina's meer om de gedachten verder uit te werken. De golven rollen door. Ik loop er in en voel de kracht van de zee. De volgende dag ga ik verder over een strand waar ik als jongen van vijftien al was. Niets veranderd. In Carcan sur Mer klim ik over de duinen. De expresso is er in een klein caféwinkelachtig tentje. Met een mooie vrouw die het al bestiert. Ze vraagt of de muziek me stoort. Non, schud ik. Ik luister en proef. De mystieke tonen van Pärt maken dat ik besluit dat je niet altijd, altijd, maar verder hoeft, omdat je vanzelf verder gaat als je niet indut. De trein terug vertrekt uit Bordeaux.